Smart Cities

Hoe maken we de stad van de toekomst concreet?

By 05/02/21 No Comments

Slimme steden zijn nog nooit zo veel besproken als nu. Er lopen vele succesvolle projecten en er bestaan samenwerkingsverbanden zoals het Vlaamse s-Lim. De werkmethodes liggen klaar. Alle ingrediënten voor geslaagde projecten zijn beschreven in schema’s zoals het Smart City-wiel en overkoepelende organisaties zoals VLOCA bouwen aan een breed referentiekader. We zijn er dus helemaal klaar voor en moeten het nu concreet maken, overal.

Joachim De Vos, directeur van TomorrowLab en voorzitter van Smart Cities Vlaanderen, benadrukt een intelligente aanpak: “We kennen de uitdagingen van Vlaamse steden en gemeenten in grote lijnen. Nu moeten we ze in kaart brengen en ermee aan de slag gaan.”

Welke evoluties komen er zeker aan?
Joachim De Vos: “Een eerste belangrijke evolutie heeft te maken met digitale gegevens. Data is de toekomst, dat is geen verrassende evolutie, denk ik. Steden en gemeenten moeten wel de nadruk leggen op hun beleid ter zake. Gewoon veel data hebben, is niet synoniem aan er zinvolle dingen mee doen. De vragen die we ons moeten stellen, zijn: Welke data hebben we nodig? Hoe kunnen we data koppelen aan inzichten zodat we er beleid mee kunnen voeren?”

“Een datagedreven beleid zorgt voor een gestructureerde Smart City-aanpak. De meeste centrumsteden zijn hiermee bezig, maar het is even belangrijk dat de kleinere steden en gemeenten zich hier bewust van zijn.”

“Burgerparticipatie is daarbij belangrijk. Wanneer er bijvoorbeeld klachten zijn over te veel zwaar verkeer in de dorpskern, kan het bestuur aan bewoners sensoren geven om de passage objectief te meten. Dat hoeft niet duur te zijn en kan ook dienen om na te gaan of eventuele maatregelen effect hebben.”

CEO Living Tomorrow & TomorrowLab Joachim De Vos: “We kennen de uitdagingen van Vlaamse steden en gemeenten in grote lijnen. Nu moeten we ze in kaart brengen en ermee aan de slag gaan.”

Het transport in stadskernen moet ook anders?
Joachim De Vos: “De enorme groei van e-commerce legt druk op de steden en dorpskernen. Dat komt door de zogenaamde Last Mile, het laatste gedeelte van de route die een pakketje aflegt naar de eindbestemming. We kunnen nog veel verduurzamen door transport in de centra te herbekijken en innovatief te denken. Per stad kan de Last Mile er anders uitzien, maar er moet een structuur komen die het verkeer verlicht.”

“Het Nederlandse bedrijf EVAnet heeft dat slim gezien. Ze plaatsen pakketkluizen aan treinstations en bushaltes en slaan zo twee vliegen in één klap. Ze maken het openbaar vervoer aantrekkelijker voor pendelaars en er rijden minder witte camionetten door het centrum. Daardoor verbetert ook de luchtkwaliteit in de woonkernen. EVAnet wil een stap verdergaan met hun nanohubs. Inwoners kunnen aan de haltes ook andere lokale diensten raadplegen zoals fietsen huren, boodschappen oppikken en meer. Alles is toegankelijk met één app op je smartphone. Zo kan men op een passend moment boodschappen van verschillende leveranciers oppikken en andere diensten raadplegen.”

“Deze nanohubs zijn een interessant voorbeeld van innoveren met de technologie die er al is, zoals smartphones, en er nieuwe mogelijkheden aan toevoegen die passen in het leven van de inwoners.”

“Veel diensten kunnen volledig digitaliseren. Met smartphone-apps maken we van heel Vlaanderen een 15-Second City. Alles is dan digitaal bereikbaar binnen een symbolische 15 seconden.”

Ook voor de inwoners zelf zou het goed zijn als zij zich anders verplaatsen?
Joachim De Vos: “We hebben lang alleen maar geïnvesteerd in interne mobiliteit. Besturen wilden vooral dat men in een stad heel vlot van punt a naar punt b kon geraken. Maar, de steden zijn drukker en groter dan vroeger. Een slim concept om nu naar de interne mobiliteit te kijken, is de zogenaamde 15-Minute City. Dat gaat over ruimtelijke planning voeren op basis van de vraag: Hoe is alles bereikbaar binnen een kwartier, of dat nu te voet, met de step, de snelfiets of een taxi is. In steden is dit veel nuttiger dan alles te clusteren of in afstand te beoordelen, want drie kilometer kan met de auto ook een uur duren in een druk centrum.”

We hebben lang alleen maar geïnvesteerd in interne mobiliteit. Besturen wilden vooral dat men in een stad heel vlot van punt a naar punt b kon geraken. Maar, de steden zijn drukker en groter dan vroeger.

“Intelligente ruimtelijke planning is een deel van de oplossing. Het is ook tijd om over mobiliteit na te denken vanuit het omgekeerde perspectief: breng de diensten naar de burger in plaats van omgekeerd. Dat kan met een klantgerichte, digitale aanpak. We moeten diensten in cellen bekijken, los van de gebouwen waar ze traditioneel plaatsvinden. Een aantal steden en gemeenten staan daarin al heel ver, maar de meerderheid moet nog zo goed als beginnen.”

“Waarom moeten inwoners nog steeds voor het ene naar het gemeentehuis gaan en voor een ander document naar het politiekantoor? Veel diensten kunnen volledig digitaliseren. Met een handige app maken we er dan zelfs een 15-Second City van. Alles is dan digitaal bereikbaar binnen een symbolische 15 seconden.”

“Als er toch nog een overdracht moet gebeuren van papieren documenten, verwijs ik naar drop-off punten. Het dienstencentrum moet niet gecentraliseerd zijn zoals we tot voor kort dachten. Een virtueel gemeentehuis kan zo goed als volledig bestaan uit digitale aanwezigheid en enkele hubs.”

“In Molenlanden, in Nederland, hebben ze een volledig virtueel gemeentehuis gebouwd. Zij waren in 2015 baanbrekend als eerste gemeente zonder bakstenen gemeentehuis. Voor complexe zaken of voor wie niet met een computer kan omgaan, is er een thuisbezorgservice van diensten. Ook in Aalter, waar TomorrowLab ondersteuning biedt in hun Smart City-transitie, is er een snelbalie in het gemeentehuis, voor wanneer een persoonlijk bezoek nodig is. Bezoekers moeten er slechts naar één balie voor alle diensten die gekoppeld zijn via een intelligente backbone. De meeste zaken kunnen echter op afstand via de Aalter app, het web of intelligent stadsmeubilair.”

Is mobiliteit het belangrijkste element om een voelbare verbetering te krijgen?
Joachim De Vos: “Mobiliteit is een van de zes hoofdelementen. Een slimme stad moet over de beleidsdomeinen heen gegevens inzetten. Bekijk het Smart City-wiel van Boyd Cohen die de belangrijkste domeinen samenbrengt: samenleving, levenskwaliteit, milieu, bestuur, economie en mobiliteit. Een slimme stad staat in het midden van die cirkel omdat elk van de domeinen van belang is bij een slim beleid. Met los van elkaar staande oplossingen werken, zorgt voor zogenaamde silo’s en die moeten we doorbreken. Door de beleidsdomeinen te verbinden en gegevens uit elk domein te gebruiken, ontstaat er interactie waaruit we meer inzichten verkrijgen.”

Het Smart City-wiel omvat de belangrijkste beleidsdomeinen en een slim beleid zoekt oplossingen die ze allemaal overkoepelt.

Hoe kunnen steden en gemeenten rekening houden met evoluties?
Joachim De Vos: “Steden en gemeenten moeten goed op de hoogte zijn van de trends die zullen doorbreken. Zo kunnen ze mee evolueren met wat er onder de burgers leeft. Eigenlijk zouden steden en gemeenten jaarlijks een “toekomstdag” moeten organiseren. Een dag brainstormen en trends onder de loep nemen, geeft frisse ideeën. Denk aan de ogenschijnlijk plotse opkomst van elektrische fietsen en steps. Als je zulke trends op voorhand ziet aankomen, kan je als bestuur beter inspelen op bewustmaking en veiligheid.”

Een concrete aanpak, wat moet men daarvoor doen?
Joachim De Vos: “Het is belangrijk om vanaf dag één een gerichte aanpak te hebben. De eerste stap legt de basis voor later succes. Bij TomorrowLab visualiseren we de Smart City-aanpak als een piramide met drie lagen: de basis moet gelegd zijn door een visie, gevolgd in de middenlaag door een roadmap met KPI’s waarop je dan tenslotte de acties baseert.”

“Als eerste moet men echt een visie uitwerken. Welke trends zullen invloed hebben op mijn stad of gemeente? Welke uitdagingen kunnen de inwoners aangaan? Het helpt om de eigenschappen van de eigen stad goed te kennen. Antwerpen hangt bijvoorbeeld deels samen met diamantenhandel, wat op zijn beurt met de haven samenhangt, die ook met de petrochemische industrie in de regio gerelateerd is en ga zo maar door. Via een scenarioplan kan er een dialoog komen met de belanghebbenden. Alleen op die manier spreekt iedereen dezelfde taal over de toekomst.”

“Daarna komt de roadmap. Het is een praktisch plan dat rechtstreeks uit de visie voortkomt, met daaraan KPI’s gekoppeld. Het is essentieel om vooruitgang tijdens een project te evalueren en niet pas wanneer er struikelblokken zijn. De roadmap geeft ook ruimte voor experimenteren, wat belangrijk is.”

“Als laatste komen de zichtbare acties. Hiervoor is het nodig om alle gegevens die de stad al heeft, volledig in kaart te brengen. Overbodig gegevens verzamelen, is contraproductief. Een grondige kwaliteitscontrole van het databeleid zorgt voor een schone lei. Alleen relevant meten, zorgt ervoor dat je meer weet.”

“Alleen de relevante zaken meten, zorgt ervoor dat je echt meer weet.”

Welke Europese stad is het verst gevorderd?
Joachim De Vos: “Helsinki staat volgens de wereldwijde Smart City-index van 2020 op de tweede plaats, net onder het ongenaakbare Singapore. Dat is erg indrukwekkend want aan die laatste kan Europa niet tippen. Helsinki heeft dit kunnen waarmaken omdat er vanaf het begin sprake was van een coherente visie. Toen de conversatie over slimme steden begon, hebben zij als stad een taal leren spreken waardoor alle betrokken partijen doordrongen waren van hetzelfde idee. Zo is alles vanaf concept tot implementatie verbonden met elkaar. Ze hebben gewerkt volgens de eerder vermelde piramide-methode, waardoor er geen budget of tijd verloren is gegaan aan losse pilootprojecten.”

“Dit staat in contrast tot bijvoorbeeld Barcelona. Met Europese subsidies hebben ze geïnvesteerd in sensoren om vele types activiteiten te monitoren. Ze zijn een echte City of Things, vol technologie, maar er is te weinig nagedacht over samenhang of over een intelligent beleid. Je hebt een visie nodig om van een slimme stad te kunnen spreken. Daar kunnen ze nog altijd aan werken, er is nog niets verloren.”

In de 15-minute city voeren we ruimtelijke planning op basis van de vraag: Hoe is alles bereikbaar binnen een kwartier, of dat nu te voet, met de step, de snelfiets of een taxi is.

 

Je hebt aan de wieg gestaan van s-Lim in Limburg. Wat kunnen we leren uit dat project?
Joachim De Vos: “Twee factoren hebben van het samenwerkingsverband s-Lim een succesoperatie gemaakt: kennis en consensus. In eerste instantie is er veel kennis vergaard over elk van de deelnemende steden en gemeenten, nog voor de aanvang van de samenwerking. We hebben met hen het concept Smart City overlopen zodat we dezelfde taal spraken. Elk van hen heeft de tijd gehad om aan hun toekomstvisie te werken. Wat bleek? Ze hadden uiteenlopende bezorgdheden, vragen en uitdagingen. Steden en gemeenten werken gepersonaliseerd naar hun inwoners en aan hun troeven. In grote steden kan dat zelfs tot op wijkniveau toe. Door naar iedereen te luisteren, konden we de gemeenschappelijke toekomstvisie erop afstemmen en de juiste prioriteiten leggen.”

“Vervolgens zijn alle Limburgse steden en gemeenten tot de consensus gekomen dat samenwerking essentieel was. In Vlaanderen is er zo veel diversiteit, dat dit een uitzonderlijke overwinning was. Elke partij besefte dat een lappendeken minder waarmaakt dan een sterk geheel.”

Welke uitdagingen brengen samenwerkingen met zich mee?
Joachim De Vos: “Open standaarden zijn essentieel om Smart-City projecten te laten slagen. Hoe meer uniformiteit, hoe beter de kansen op samenwerking en co-creatie. Open standaarden worden op Vlaams niveau in de hand gewerkt door VLOCA. We kunnen dit in de toekomst ook op Europees niveau verwachten. Dat juich ik alleen maar toe. Uniformiteit helpt samenwerkingsverbanden om te blijven innoveren, ook omdat men onafhankelijk kan werken van z’n leveranciers. Dus, wanneer er veranderingen zijn zoals een ander dataplatform of een andere samenstelling van een bepaalde maatschap, blijft alles ongewijzigd werken dankzij de standaarden. Het enige nadeel van open standaarden ontwikkelen, is dat het langzamer gaat dan een individuele aanpak. Die tijd win je nadien wel terug.”

“Tegelijk moet dit samenhangen met het blijven aanpassen van de projecten naar de eigen omgeving van de stad of gemeente. De eigenheid van de stad verdwijnt echt niet omdat er op bestuursniveau een samenwerking is. Een toepassing als Onze Stad App is daar een mooi voorbeeld van. In een samenwerkingsverband kunnen ze samen een aanbesteding doen, maar elke stad heeft een app die functioneert volgens de eigen verwachtingen en waarden.”

Bitnami